Op het matje bij de minister-president

In de jaren tachtig was een bezoek aan de Tour de France ‘vaste prik’ tijdens onze zomervakanties. Alpe d’Huez was daarbij één van de favoriete bestemmingen. Tussen 1981 en 1990 heb ik menig finish op deze legendarische berg live mogen aanschouwen. Mijn liefde voor het fietsen is ongetwijfeld daar ontstaan!

Begin jaren tachtig maakte ook Dries van Agt, onze toenmalige minister-president, er een gewoonte van een bezoek te brengen aan het Tour circus. Niet zelden koos ook hij voor Alpe d’Huez. Op een avond stonden mijn oudere broer en ik voor hotel La Dauphinoise te wachten op onze wielerhelden in de hoop een handtekening te kunnen scoren. La Dauphinoise was in die tijd de vaste uitvalbasis voor de vermaarde Raleigh ploeg van Peter Post. Die avond was onze eerste minister als eregast bij de renners aangeschoven voor het diner.

Tegenwoordig is het ondenkbaar, maar in die tijd kon je als wielerfan de hotels waar de renners vertoefden ‘gewoon’ in en uitlopen. Zelfs met de premier van Nederland als eregast was er van (extra) beveiligingsmaatregelen weinig tot niets te merken. Ook de renners namen over het algemeen de tijd fans te woord te staan, een handtekening te zetten of een bidonnetje te geven. Ik verzamelde me suf in die tijd.

Omdat van Agt & co nog aan tafel zat, werd ons verzocht even buiten te wachten. En zo gebeurde het dat ik op een gegeven moment met m’n neus tegen het venster gedrukt naar binnen zat te gluren hoe onze premier (die toevallig nét een plekje aan het raam was toebedeeld) zijn toetje aan het wegwerken was. We werden ‘gescheiden’ door een ruit, maar de afstand tussen ons bedroeg niet meer dan één meter…

Naast wielrennen was ook tekenen in die tijd een van mijn hobby’s. Cartoons en spotprenten waren mijn favoriet. Het toeval wil dat mijn vader kort daarvoor een boekje met quotes van van Agt had gekocht (‘Sapristi van Agt’, zie foto). De spotprent op de kaft had ik tientallen keren overgetekend en kende ik inmiddels uit mijn hoofd. Bij gebrek aan wielrenners spoorde mijn oudere broer me aan om van Agt dan maar te gaan portretteren. Ik was nog maar nauwelijks uitgetekend of hij griste het boekje uit mijn hand en hield het tegen het glas…

Van Agt keek verbaasd op, verslikte zich bijna in z’n rijstepap en wees vervolgens in mijn richting. “Heb jij dat gemaakt?”. Ik liep rood aan en knikte bevestigend. Hij legde zijn lepel neer, draaide de palm van zijn hand naar boven en krulde zijn wijsvinger… “Kom dan maar eens hier!”

Met knikkende knieën liep ik het hotel in. De weg werd voor me vrij gemaakt en weldra stond ik aan de eettafel bij ‘n aantal van mijn grootste wielerhelden uit die tijd. Ik wurmde me achter Gerrie Knetemann en Johan van der Velde langs en meldde me bij onze minister-president. “Zeg vriend… vertel eens… is mijn neus werkelijk zo groot?” “En die moedervlek, die heb ik toch al lang niet meer?” Ik weet niet meer precies wat ik geantwoord heb, maar echte volzinnen zullen het niet geweest zijn. Wat ik wél weet is dat, toen ik 5 minuutjes later weer buiten stond, mijn handtekeningen boekje vol stond met de handtekeningen van alle Raleigh renners die nog in koers waren. Mijn dag kon niet meer stuk…

Plaats een reactie